110
Wat hier volgt, berust in hoofdzaak op twee minder belangrijke
1)
groepen
van bronnen, n.l. de oudere
Egmondse
en
Utrechtse
geschiedschrijvers, die nog te
veel historiese zin hebben dan dat men een ruime oogst kan verwachten. Van de
Egmondse kronieken komt eigelik alleen die van
Willelmus Procurator
2)
in
aanmerking; de
Annales Egmundani
3)
hebben wel tal van - meest door een latere
hand bijgeschreven - wonderverhalen, maar zijn, evenals het grotendeels hieraan
ontleende
Chronicon Egmundanum
4)
, voor ons doel zonder belang. Van de Utrechtse
geschiedwerken zijn hier te noemen de
Narracio de Groninghe
5)
, tussen 1227 en
1233 geschreven; dan de
1) In een volgend artikel hoop ik de zo gewichtige Divisiekroniek en wat er mee samenhangt,
later wellicht de Friese bronnen en de heiligenlevens te behandelen.
2) Willelmi Capellani in Brederode postea Monachi et Procuratoris Egmondensis Chronicon,
uitgeg. door C. Pijnacker Hordijk (= Werken v.h. Hist. Gen. Derde Serie n
o
. 20); het sluit aan
bij de Annales Egmundani.
3)
Uitgeg. door B.J.L. de Geer van Jutfaas (= Werken v.h. Hist. Gen. Nieuwe Reeks n
o
. 1).
4) Uitgeg. door A. Kluit, Historia critica comitatus Hollandiae et Zeelandiae I 1; het is een
tendentieuse omwerking der Annales. Bekend is het gebruik, dat
Stoke
van deze kroniek
maakte.
5) Quedam Narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordia et de diversis aliis sub diversis
episcopis Trajectensibus, uitgeg. door C. Pijnacker Hordijk (= Werken v.h. Hist. Gen. Nieuwe
Serie n
o
. 49).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais