209
de coquette Fulvia e.a., die het merk van hun oorsprong uit het karakterschilderend
essay duidelijk op het voorhoofd dragen. Niet anders is het bij Post gesteld met de
eerste brieven van Euphrozyne, die het stadsleven belachelijk moeten maken. In
br. 5 treedt een behaagziek meisje op, dat uren lang aan haar toilet zit en niet
bedenkt, dat dit ijdel gedoe in strijd is met de voorschriften van rede en godsdienst.
Br. 7 beschrijft een rondrijdend bezoeken-brenger met zijne lage vleitaal en
onnatuurlijke gesprekken, en vervolgens een aanzienlijk diner, waar de meest
belachelijke en onbeduidende gasten aanzitten. De typeering van Post is veel
uitvoeriger dan die van Hirschfeld en is ook stellig niet daaraan ontleend, zooals
met de natuurbeschrijving ten deele wèl het geval is. De schets van dit gastmaal
bijv. is veel nader verwant aan die, welke De Lannoy gegeven heeft, dan aan Oront's
slemppartij bij Hirschfeld. Maar voor zoover het 't aanbrengen van zulk eene
tegenstelling betreft, kan ook hier verwantschap tusschen onze twee auteurs bestaan.
Het is natuurlijk niet de bedoeling, dat aan ieder der genoemde punten overtuigende
bewijskracht toegekend zal worden. Enkele ervan spreken zeer sterk voor het
aannemen van litterair verband tusschen beide werken en met elkander leveren zij
het afdoend bewijs, dat Post van Hirschfeld's geschrift een dankbaar gebruik gemaakt
moet hebben. Blijkt uit hare eigen woorden in br. 24 reeds, dat zij Hirschfeld gelezen
heeft, een nadere vergelijking van ‘Het Land’ met ‘Das Landleben’ toont aan, dat
zij hem ook heel goed gelezen moet hebben. En al bevat hare verklaring, dat zij
Hirschfeld niet kon navolgen de waarheid, zij heeft er desniettemin eene poging toe
gedaan. De algemeene gedachten van Hirschfeld en Post zijn dezelfde, en in tal
van ondergeschikte punten heerscht overeenstemming. Wie na dat alles nog niet
gelooven wil, dat er meer dan een psychologische, namelijk een historische,
samenhang tusschen den Duitschen tuinbouwkunstenaar en de Nederlandsche
romanschrijfster bestaan moet, zal het best doen de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais