
282
Etymologische aanteekeningen
1)
.
KNEUZEN. Met gramm. Wechsel dre.
kneuren
(Dre. Volksalm. 1848).
Gron. KNIJLEN (Molema) ‘door wrijven of drukken in stukjes breken, verkruimelen’
< *
kniolan
, abl. met hd.
knüllen
,
knollen
(en met hun grondwoord
knolle
) ‘slaan’,
maar ook ‘in vouwen drukken’ en ‘in grumos conterere’ en ‘friare’.
KNIJPEN. Vgl. voor de slotcons., behalve mnl.
cnijf
enz.,
beknibbelen
, gron.
(Molema)
knibbel
‘heel klein stukje’, (sa.) ofri.
knibbel
,
gnibbel
‘id’; Molema
kniefeltoond
,
kniffeltoond
(loepen) ‘met de teenen naar binnen gekeerd’, ofri.
knifeltônd
, -
t nd
, -
tônig
‘mit zusammenge
kniffenen
u. einwärts gekrümmten Zehen’.
KNOBBEL. Ook nwfri., met de bet. ‘knobbel; stomp van een hand of voet’, Zwhoek
knobbe
‘knobbel’. Gallée (Driem. Bl. 4, 30)
knobbe
f. ‘dikte, uitwas aan een boom’.
Molema
knōbbig
(
ō
is
ó
) ‘knobbelig’.
KNOEDEL (en KNOEIEN). Ts. 32, 171 is gewezen op
knoedel
(en
knoeien
) met
oe
<
ô
; z. dit bij Molema = ‘kort, gedrongen persoon, vooral van vrouwen’, ‘balletje van
meel en siroop, van zeer onregelmatigen vorm’; ald.
knoedelen
‘fommelen,
frommelen, onordelijk samenvouwen, samendrukken’. - Voor de N W Veluwe geeft
Van Schothorst naast elkander
knō·jən
(vgl.
bō·j
‘bode’) en
knūjən
(vgl.
ārəmūj
‘armoede’) ‘knoeien, morsen’. Gron.
knooien
en
knoeien
,
knoien
zijn locaal
gescheiden; ze hebben behalve de door Molema opgegeven bet. ook die van ndl.
‘knoeien’.
KNOFFELEN. Hierbij nwfri.
knobje
‘knotten, inkorten’ (in de vrb. van Fri. Wb. vleugels
en nagels; vgl. dus hd.
stutzen
bij
stoszen
), ‘knuffelen: drukken, pakken’; met
g
:
gnobje
‘(bij
1) Vervolg van blz. 217-233.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais