37
dat het grootste deel dezer zinnen den omvang van een vers heeft, dan is het
duidelijk, dat de syntactische vorm van dergelijke zinnen moet berusten op een
rhythmischen grondslag. Van den anderen kant zal bij een zoo groot getal van deze
zinnen het vers-rhythme in hooge mate worden beïnvloed door syntactische
bijzonderheden van deze zinssoort. Nu is de syntactische vorm van deze eenvoudige
zinnen alleen veranderlijk door de woordschikking van subject en praedicaat. Hieruit
volgt, dat de woordorde van grooten invloed is op het versrhythme en dat rhythmische
neigingen en metrische dwang den dichter leiden bij de keuze van de woordschikking.
Het is nu de vraag, volgens welke beginselen de 1653 zinnen moeten worden
ingedeeld. Het feit, dat in onze taal de inversie van het werkwoord in mededeelende
zinnen onvermijdelijk is na een zinsinleidende bepaling (of object), wijst op den
grooten invloed van den ‘zinsaanloop’
1)
op den geheelen zinsvorm. In zinnen, die
niet met het grammaticale subject of praedicaat beginnen, valt vanzelf een bijzondere
nadruk op het naar voren geschoven zinsdeel. Het is daarom begrijpelijk, dat in
zinnen met ‘aanloop’ de syntactische vorm en schikking van het grammaticale
onderwerp en gezegde zich heel anders ontwikkelen dan in zinnen, die door het
subject worden ingeleid. Hoe gewichtig dit is voor de verschijnselen der
woordschikking in den Ferguut, blijkt uit het feit, dat van de 1653 zinnen ruim
1) ‘Zinsaanloop’ noemen we synt. woordgroep vóor subj. of praedicaat, die in de duitsche vaktaal
den naam van ‘Spitze’ of ‘Spitzenbestimmung’ draagt.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais