88
Peerden heb ick al besteet;
Was de wagen maer gereet.
Yser-werrick heb ick mede,
Benje slechjes wel te vreden,
En wy sullen, soo ick meyn,
Dichjes by de Lombert zijn;
Dat kan oock voor al niet schaden.
Vind jy 't oock soo niet geraden,
Jacob Oom? Wat dunckjer van?
Wel dat gaetter dan op an.”
Daermee gingh het op een bouwen,
Op een hacken, op een houwen,
Datmen in een korten tijt
Al het yser raeckten quijt,
En het gelt was mee te soecken.
Arme Jacob weer aen 't vloecken
En de peerden op ter loop;
Daer lagh 't alles overhoop’.
‘Jantje met sijn Krullen’, die genoeg ‘yser-werrick’ heeft, is natuurlijk Jan Hermansz.
Krul
1)
(1601?-1646), smid van zijn ambacht, maar ook lyrisch en dramatisch dichter
2)
.
De hier aangehaalde versregels doelen op de oprichting van Krul's ‘Musyk-kamer’
in 1634. - Na de vereeniging van Oude Kamer en Academie (1632) liet de eenheid
onder de kamerbroeders evenveel te wenschen over als vroeger dikwijls het geval
was. Waarschijnlijk voelden Krul en zijne vrienden zich minder goed t'huis in een
kring, waarin het eenigszins ruw toeging, waar men zich weinig om de kunst
bekommerde en niet elke richting tot haar recht kon komen. Ook waren de vertoonde
drama's niet altijd van zedelijken aard
3)
. Daarom scheidden Krul en eenige anderen
zich af en stichtten eene
1) Reeds opgemerkt door Unger.
2) Zie over hem, Dr. G. Morre,
Jan Hermansz. Krul
,
Delft
,
J. Waltman Jr.
, 1894.
3) Vgl. de aanhalingen uit een in 1634, anoniem, verschenen gedicht, getiteld:
Treur-klacht van
Liefd' Bloeynde
, door Te Winkel aan Krul toegeschreven, in
De ontwikkelingsgang
, blz. 116,
en Krul's
Inleydinge
,
Gedaen op de Amsterdamsche Musyck-kamer
,
Ie blijft in Eelen doen.
In Mayo
1634.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais