83
D'onbekende voerman van 't Schou-burgh.
Achter het gedicht
De geest van Mattheus Gansneb Tengnagel
,
In d'andere werelt
by de verstorvene Poëten
(1652), waarvan de schrijver blijkt voortreffelijk t'huis te
zijn in de letterkundige geschiedenis van zijn tijd, komt een vers voor met den
bovengenoemden titel. Wanneer de geest van Tengnagel vol angst de geesten ziet
der dichters, die hij opnoemde, terwijl hij over hunne werken een kras oordeel velde,
verzoekt hij ten slotte onder hen te mogen plaats nemen. Zij verwelkomen hem en
staan hem zijn verzoek toe, maar eerst moet hij, volgens de onder hen bestaande
wet, een eigen vers voordragen. En nu volgt
D'onbekende voerman van 't
Schou-burgh
, waarop reeds in het begin van
De geest
wordt gezinspeeld met de
woorden:
‘Voerman die de Schouburghs waghen
Aefrechts mende, weet ghy 't niet,
Hoe dat ick voor dou en daghen
Pleegh te singen aen u liedt?’
D'onbekende voerman
is een vers van 326 regels, vol toespelingen op tooneelzaken.
Toen Unger in 1883 zijne studie over Tengnagel in
Oud-Holland
, I, publiceerde, liet
hij het in zijn geheel afdrukken (blz. 217-219), ‘in de hoop, dat het onzen literatoren
moge gelukken, het volkomen te verklaren’. Daartoe beweer ik niet in staat te zijn,
maar ik geloof toch de enkele ophelderingen van Unger met vele te kunnen
vermeerderen.
Unger giste, dat het vers in 1638 is geschreven, omdat aan het slot melding wordt
gemaakt van Vondel's verloren treurspel
Messalina.
De gissing is juist, zooals uit
het volgende zal blijken.
En nu het gedicht zelf. Het begint aldus
1)
:
1) Ik volg den tekst, zooals Unger hem geeft, maar heb hier en daar drukfouten verbeterd en
de interpunctie veranderd.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais