
297
MOT (insect). Z. bov.
made
en vgl. met mnd.
mutte
stadgron.
stainmót
(
stain
‘steen’),
een in muren en onder steenen aan te treffen diertje, naar 't schijnt ‘Oniscus
murarius’.
MOT IV, V, VI in Nl. Wb. zullen wel bijeenbehooren; V. Schothorst
m t
(d.i.
mùt
)
‘stof, fijn zand’ (b.v.
t rəfmöt
(lees
t
) is het fijne zand, dat uit een zeer droge turf
valt) < *
mutti
sluit zich bij V en bij VI aan, ook
m thō·p
‘mestvaalt, bestekamer’.
MUUR
en
MIER (plant). Uit Heukels, Wb. der Ndl. Volksnamen van Planten, blijkt,
dat
mier
gezegd wordt in de fri., sa. en oostelijke fra. streken, maar ook tot op
Beierland en Voorne. De
ie
berust althans in 't O. op
î
; anders zou het zijn: gron.,
b.v. in Noordhorn,
mijer
(als
dijer
‘dier’), enz. Bijgevolg is ndl.
mier
òf in 't O. òf overal
= dial. hd.
meier
enz., en bewijst niet met
muur
een gemeenschappelijken grondvorm
met gm.
eu.
Kleine mededeelingen.
61.
Gorrekens
‘arm, schamel volcxken’.
In het hoofdstuk, getiteld ‘Vant beginsel ende oorsprong der stede van Gorinchem
oft Gorcum’ Divisiekron. f. 166 (XVII 10) = van Gouthoeven f. 308 staat te lezen:
‘ende dese visschers om dattet een arm schamel volcxken was/ wierden sy
gheheeten
gorrekens
, waer van dat die stede Gorrekom (maer nu Gorichom)
gheheeten wert’. Evenzo in het oudere Latijn van Johannes à Leydis Chron. Com.
XXII 11 blz. 192: ‘miseri piscatores Theutonice
Ghorkens
’ (
Goerkens
De Vita et
Rebus gestis dominorum de Arkel = Matthaeus Analecta VIII
1
300) en bij Snoy VII
blz. 87: ‘
Gurrigheus
hoc est, anxie atque avare piscatione viventes’. Naar ik meen,
was dit bij
goor
(
gore
,
gorre
) behorende woord tot dusverre onbekend.
Hilversum.
M. SCHÖNFELD.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais