193
Op enkele daarvan moet thans in het bijzonder de aandacht gevestigd worden,
opdat de verhouding der beide werken nog helderder aan het licht kome. Het
grondbeginsel bij Hirschfeld en Post is hetzelfde: de verheerlijking van het leven op
het land tegenover het bestaan in de steden. Hirschfeld betoogt de voortreffelijkheid
van het buitenleven uitvoerig in n
o
. 4 en ook later komt hij er telkens op terug, in de
eerste plaats om aan te toonen, dat de oorspronkelijke deugden van den mensch
zich slechts op het land ten volle ontwikkelen kunnen. Bij Post is deze gedachte
zelfs de grondslag van den geheelen opzet: Euphrozyne, het stadsmeisje, dat eerst
nauwelijks aan de bekoring van het buitenleven gelooven kan, laat zich door Emilia
tot een verblijf op het land overhalen, en geeft dan in den 29
en
brief hare eigen
indrukken weer, waaruit blijkt, dat zij hare opvattingen geheel ten gunste van het
land gewijzigd heeft. De bijzondere voordeelen, die Hirschfeld en Post aan het
buitenleven toekennen, zijn ook dezelfde. Zoowel ‘Das Landleben’ als ‘Het Land’
beginnen met eene waardeering van de zinnelijke bekoring van de natuur, die echter
gaandeweg in eene zedelijke vreugde overgaat. Bij Hirschfeld, in wien de schilder
en de moralist nog naast elkaar staan, is deze overgang telkenmale bewust
uitgevoerd, hetgeen vooral duidelijk blijkt uit n
o
. 6, waar de verandering van zinnelijk
in zedelijk genot tot in bijzonderheden ontleed wordt. Door dezen trek wordt de
verwantschap van zijn werk met dat van Addison en den Spectator al bijzonder
scherp aangewezen en het is dan ook geen wonder, dat juist deze tot de weinige
niet-klassieke en niet-Duitsche schrijvers behooren, die hij citeert. Bij Post
doordringen de zinnelijke en de zedelijke vreugde over het landleven elkaar nog
meer, ten gevolge van de sentimenteele natuurbeschouwing, die haar punt van
uitgang is, en mede door den romanvorm. Hieruit volgt reeds, dat de overeenkomst
het sterkst is, waar beide zuiver beschrijvend of schilderend te werk gaan, gelijk
Post in hare brieven over de lente (br. 15, 17, 22, 23, 26 enz.) en Hirschfeld in n
o
.
2, 8, 10. Maar ook
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Comentários a estes Manuais